Een ge(s)laagde beeldformatie?

Over beeldvorming van moslims in Nederland is inmiddels veel geschreven. Vaak doelt men op vooroordelen over moslims die circuleren in politiek en media. In de meeste publicaties gaat het om negatieve beeldvorming. Opmerkelijk genoeg wordt ‘beeldvorming’ zelden visueel opgevat.

Maatschappelijke verbeelding van moslims in NL

Heidi de Mare

Beeldvorming wordt doorgaans besproken in termen van discriminatie, stigmatisering, stereotypering, inferioriteit, uitsluiting, onderdrukking, retoriek, demagogie, angst, emotie enzovoorts. Er passeren allerlei opvattingen en meningen óver visuele verschijnselen als de moskee, de hoofddoek, de baard en de djellaba. De diagnose van velen is dat de Nederlandse beeldvorming vooringenomen is, ze de werkelijkheid vertekent en blijk geeft van onwetendheid. Als remedie geldt enerzijds het Nederlandse publiek nader informeren over de islam (het bespreken van Korancitaten en ambivalente religieuze kwesties, het registreren van ervaringen van moslima's e.d.) en anderzijds het aanwijzen van mogelijke oorzaken in de Nederlandse samenleving (het bespreken van de Nederlandse identiteit die de intolerante en ambivalente houding kan verklaren). Want aan de ene kant bepleiten Nederlanders democratie, gelijkheid, inburgering en vrijheid van godsdienst, aan de andere kant discrimineren ze op de arbeidsmarkt, maken ze bezwaar tegen hoofddoek en moskee, en staan ze argwanend tegenover geëmancipeerde moslima's die bewust voor hun hoofddoek kiezen.

Beeldvorming ja, maar geen oog voor het visuele register

Hoewel het SCP-Jaarrapport van 2013 meldt dat moslims geen (politiek) issue meer zijn in Nederland, wil dat niet zeggen dat het openbare debat is stilgevallen. In de publieke opinie buitelen de meningen nog steeds over elkaar heen, aangejaagd door allerhande (over)gevoeligheden tussen de betrokken groepen. Het scala aan argumenten dat uiteenlopende deskundigen in het publieke debat brengen, is zeer divers: politiek of juridisch van aard, maar ook antropologisch, sociologisch, criminologisch, psychologisch, ideologisch, economisch, (multi)cultureel en natuurlijk vooral religieus. We zullen ons in dit nummer niet in deze specialistische debatten mengen. Deze kennisdomeinen behoren niet tot onze expertise en we hebben niet de pretentie daarvan een evenwichtig overzicht te geven. In dit nummer vertrekken we vanuit onze eigen vakgebieden. Van daaruit stellen we enkele zaken aan de orde die volgens ons in dit complexe debat te simplistisch, te causaal en in te abstracte termen worden behandeld. Centraal staat in dit nummer het visuele register: de beelden-met-moslims die circuleren in de publieke ruimte en de rol die deze beelden spelen in de Nederlandse maatschappelijke verbeelding.

Gekwetste gevoelens

Het denken over deze kwestie wordt bemoeilijkt doordat het debat moreel beladen is en politiek bezet: bepaalde individuen of groepen voelen zich gekwetst. Dat geldt zowel voor moslims als Nederlanders. Zie het ongemakkelijke, wederzijds overgevoelige gesprek tussen Femke Halsema en de niqaab-dragende Shalina Litt uit Birmingham die zich tot de pure islam heeft bekeerd [Seks en de zonde, 8 juni 2014]. De neiging die gekwetstheid op te lossen of onschadelijk te willen maken - door culturele verschillen te ontkennen (politieke correctheid), te polariseren ('wij/ zij'), te wissen (het zuiveren van ongewenste verschillen), alle schuld op het westen te schuiven (in termen van eurocentrisme, etnocentrisme, imperialisme, kolonialisme) of te bevestigen (door 'kritische' kunstwerken die 'onze' vooringenomenheid artistiek onderstrepen) - is in onze optiek even simplistisch als onvruchtbaar. Zich gekwetst voelen kan volgens ons geen richtsnoer zijn om na te denken over cultuur en culturele verschillen. Het honoreren daarvan kan allerlei onwenselijke consequenties hebben. Het maakt namelijk de weg vrij om, gegeven persoonlijke (over)gevoeligheden, een (publiek, politiek, juridisch) ingrijpen in de cultuur te eisen en af te dwingen. Het is dan niet denkbeeldig dat de cultuur verschraalt en er een 'culturele woestijn' ontstaat, zoals Merle [2014: 33] voorziet als bijvoorbeeld onwelgevallige genderkwesties worden bijgesteld. De implicatie van een dergelijk ingrijpen in de cultuur is dat we in het denken en in de verbeelding niet meer vrij zijn. Dan wordt gebroken met een lange Europese, maar ook Nederlandse traditie waarin vanaf de 16e eeuw de vrijheid van geweten en vrijheid van meningsuiting in woord en beeld is bevochten. Als onverdraagzaamheid leidraad wordt, worden culturele uitingen vogelvrij verklaard. Bovendien wordt het onderzoekend vermogen van burgers om zelf goed over de eigen situatie en de eigen ervaringen na te denken op deze manier aangetast.

De argwanende blik op onszelf

Naast opiniemakers en politici spelen wetenschappers in het bevestigen van die argwaan een prominente rol. Om bij de beeldvorming te blijven: wonderlijk genoeg worden ons nieuwe oogkleppen aangereikt vanuit het hartje van de moderne westerse beschaving. Niet alleen filmverhalen en filmpersonages blijken tendentieus en politiek verdacht, zelfs de filmstijl is ideologisch en wordt aangeklaagd, bijvoorbeeld door Van Ginneken in zijn boek Exotisch Hollywood. Volgens hem worden we doelbewust gemanipuleerd door een 'relatief kleine groep merendeels mannen, merendeels blank, merendeels multimiljonair' die in Hollywood de dienst uitmaakt. Deels liggen volgens hem de vertekeningen ingebed in subtiele, etnocentrisch geïnformeerde camerabewegingen, beelduitsneden en kleurgebruik [2006: 28, 263]. Dit boek - en het is helaas niet het enige in zijn soort - voedt op beide punten de argwaan en belooft de oorsprong aan te wijzen van verborgen, racistische boodschappen in westerse fictie en in de westerse cultuur. Schuldbewuste lezers worden aldus gestimuleerd 'foute' cultuurproducten en onwelgevallige beelden op te sporen, om zich niet alleen te ontdoen van het eigen etnocentrisme, maar ook de eigen cultuur aan te klagen en te ontsmetten. Wie enige verbeelding heeft kan zich voorstellen waartoe deze 'nieuwe beeldenstorm' leiden kan.

Natuurlijk moeten we wél begrijpen waarin die gekwetstheid en overgevoeligheid zijn geworteld en welke rol de beeldcultuur en de maatschappelijke verbeelding daarbij spelen. Maar in plaats van vanuit deze verknoping van emoties, politiek en cultuur te vertrekken, staan wij op het standpunt dat, om inzicht te krijgen in de beeldvorming, het noodzakelijk is die verschillende dimensies strikt van elkaar te scheiden.

I Denkraam

Verschillende dimensies

Eerst kort iets over het denkraam van waaruit dit nummer is opgezet. Want waar hebben we het over als het gaat om de maatschappelijke verbeelding van moslims in Nederland? In 2004 schreef Gabriël van den Brink op verzoek van FORUM het essay Tekst, traditie of terreur? Naar een moderne visie op de islam in Nederland. Nu, tien jaar later, is zijn benadering nog steeds bruikbaar als denkraam om een eerste ordening te scheppen in het complexe debat. Hij onderscheidt drie dimensies die in de ervaring van betrokkenen, maar ook in het alledaagse publieke islamdebat vaak door elkaar lopen: religie, cultuur en politiek. Waar de eerste dimensie ruimte biedt aan allerlei vormen van godsdienstig leven zoals wij dat in Nederland gewend zijn, vraagt de culturele dimensie een actief streven naar moderne gelijkwaardigheid tussen inwoners, ongeacht levensovertuiging, geslacht of seksuele voorkeur. De politieke dimensie ten slotte verplicht tot een democratische omgang en actief burgerschap en dus het afzien van gewelddadige actie. Een dergelijk onderscheid impliceert dat het onjuist is de islam enkel als religie te beschouwen en zodoende alle verschijnselen te bezien binnen een religieus kader.

Een dergelijke benadering maakt tevens mogelijk ons in dit nummer te richten op wat wij aanduiden als het visuele register, dat door de drie genoemde dimensies heen loopt. Daaronder verstaan we al die aspecten in het publieke domein voor zover ze de zichtbaarheid betreffen, en die bijdragen aan de voorstellingen die in Nederland over moslims rondgaan. Alle bijdragen in dit nummer raken daarbij aan de politieke, culturele en religieuzedimensies, maar op een andere wijze dan doorgaans. We zien het juist als onze taak om gedisciplineerd te kijken naar de verschillende soorten beelden waardoor we zijn omgeven. Om ons vervolgens af te vragen wat dat voor een politieke stellingname, een culturele houding en een religieuze omgang betekent - niet alleen voor moslims, maar ook voor Nederlanders, gegeven het feit dat we in Nederland samenleven. Voor een goed begrip van het democratische proces is het, zo is ons uitgangspunt, buitengewoon nuttig, zo niet dringende noodzaak, inzicht te hebben in de macht, de magie en de impact van het visuele register, gegeven de lange cultuurhistorische geschiedenis die het beeld kenmerkt. Zeker in Nederland, een land dat doortrokken is van een seculiere moderniteit, maar ook een land waar de religieuze verschillen tussen katholieke en gereformeerde waardering van beelden onverminderd groot zijn - en dat geldt ook de verschillen in gevoeligheid voor de verbeelding.

Van een verre naar een nabije islam

In 2011 verscheen Van Harem tot Fitna (2011) van Marcel Poorthuis en Theo Salemink, gewijd aan beeldvorming met betrekking tot de islam in het Nederland van de afgelopen twee eeuwen. Ze beschrijven de ontwikkeling van het 'mentale bodemarchief' en hoe dat mede onze beeldvorming tot stand heeft gebracht. Deze beeldvorming ontwikkelt zich volgens bovenindividuele patronen, die vaak onbewust, het brede scala aan ideeën die we met elkaar delen kleuren. Zo geven ze vorm aan wat wij 'maatschappelijke verbeelding' noemen. Voor ons themanummer zijn twee zaken die Poorthuis en Salemink noemen van belang: ten eerste dat het exotische beeld dat we hebben van de Arabische wereld en de islam ouder is dan de 19e-eeuwse Romantiek zoals men wel meent. Geschilderde taferelen en schetsen (denk aan werk van Rembrandt) zijn in het vroegmoderne Europa voorradig, maar ook daarvoor al. Die voorstelling werkt nog steeds door in de hedendaagse cultuur - niet alleen keert ze terug in de krant, maar ook in de film, strip, game en commercial is de Arabische wereld als sprookjesachtig oord nog steeds present.

Deze verbeelding bloeide, ten tweede, vooral in een tijd waarin het ging om een 'verre islam': hoewel er vanaf het midden van de 19e eeuw sprake was van een zekere interreligieuze uitwisseling, ging het voornamelijk om een religie in landen ergens ver weg. Bij gebrek aan concrete contacten gaat de verbeelding aan de haal met de ingrediënten die voorhanden waren. Het ontbreekt aan een realiteit die corrigerend optreedt en het beeld bijstelt. Overigens werkt dat mechanisme op dezelfde manier bij tegenstanders van het westen: bij gebrek aan praktisch contact met verre westerlingen, neemt de verbeelding een hoge vlucht, zodat clichés kunnen ontstaan die, als de werkelijkheid nijpend wordt, makkelijk kunnen omslaan in abstracte vijandbeelden. Die afstand kan ook historisch van aard zijn: de eeuwen die de IS(IS)-strijders scheiden van de samenleving ten tijde van Mohammed, biedt alle ruimte voor een voorstelling die motiveert terug te keren naar de 'Gouden Eeuw van de islam' [Müller 2014: 8-9].

Na de val van de Muur, vanaf de jaren negentig, is de islam dichterbij gekomen. Door oorlogen, terroristische aanslagen en massale vluchtelingenstromen zijn er nieuwe voorstellingen toegevoegd. Televisie, krant, documentaire en internet hebben ons vooral voorzien van talloze beelden die getekend zijn door wereldwijd geweld en menselijke ellende. Sindsdien is de situatie in Nederland flink veranderd: de verre islam is een nabije islam geworden. Moslims maken in praktische en alledaagse zin deel uit van de Nederlandse samenleving. Enerzijds zijn er de nodige confrontaties geweest, vooral in de grote steden. Anderzijds zijn er contacten gelegd en is er sprake van wederzijdse uitwisseling en ontwikkelt zich kleinschalige samenwerking [Van den Brink & De Ruijter, Culturele kansen, 2013]. Maar bij de aanwezigheid van moslims denken veel Nederlanders in de eerste plaats aan hun zichtbare gedaanten in de publieke sfeer: op straat en in de media. De vraag is hoe we die zichtbaarheid kunnen onderzoeken en wel op een andere manier dan doorgaans.

II 'Onder de huid gekropen'

Denkmiddelen & vocabulaire 

Een andere kijk vraagt een ander denkraam, andere denkmiddelen en een ander vocabulaire. Het gaat ons niet om beeldvorming in het algemeen en we beschouwen 'de media' niet als een homogeen machtsblok dat we bij voorbaat aansprakelijk stellen voor hoe in Nederland aangekeken wordt tegen moslims en de islam. We zien af van een term als 'representatie' in de gangbare zin: beelden zijn geen directe afspiegeling van hoe het er in de maatschappij aan toe gaat. Zoals we ook afzien van de standaardopvatting over 'stereotypen', opgevat als een reductie die onrecht doet aan een individueel persoon of een maatschappelijke groep. We laten het idee dat er sprake is van een doelbewuste strategie om groepen in een bepaald (beperkt, kwaad) daglicht te zetten voor wat het is - we zien dat als oud denken dat horig is aan de jaren '60 en dat principieel ahistorisch is. Daarin verschillen we van allerlei politiek georiënteerde studies die een eenzijdige blik op de beeldcultuur propageren en de zaken onterecht simplificeren, waarmee de problemen eerder worden aangewakkerd dan 'op begrip' gebracht [De Mare 2010, 2013a , 2014].

Beeld, fictie & het stereotype

Het interessante aan fictie is dat er weliswaar stereotypen in voor komen, maar dat deze geen afgeleiden zijn van werkelijke personen. Stereotypen krijgen hun vorm in relatie tot andere personages, binnen het fictieve kader. De belangrijkste rol van personages is het verhaal dragen - en om een verhaal goed te vertellen moeten de typen goed zijn te onderscheiden. Stereotypen kenmerken zich door een beperkt aantal visuele karakteristieken, die vaak zo zijn gekozen dat tijdens het kijken geen verwarring ontstaat en men niet afdwaalt van de kern van wat het verhaal wil vertellen. Typerende elementen, maar ook contrasten in kleding, kapsel, kleur, het helpt allemaal om in één oogopslag het verhaal te kunnen volgen [De Mare 1990a, 2012a , bijdrage Gawie Keyser]. Dan blijkt het helemaal niet evident, zoals wel wordt gedacht, dat slechteriken altijd donker en zwart zijn. Opmerkelijk genoeg blijkt in veel actiefilms dat boeven juist blank zijn en blond haar hebben [Burg & De Mare 2008]. Maar dat willen zien, vergt niet alleen training en tijdrovende analyse, maar vooral ook het opschorten van morele oordelen vooraf. Wie daartoe in staat is, ziet meer: dan zijn zelfs in de mainstream Hollywoodfilms, de commerciële reclame en de game zaken te ontdekken die ons iets kunnen leren over hoe beeldvorming in zijn werk gaat. Maar ook over hoe onze verbeelding werkt en wat zich in ons geestelijk leven afspeelt. Het wijst ons op de kracht van de imaginaire voorstellingswereld die wordt opgeroepen en hoe onze morele denkbeelden worden gevoed, maar ook getest.

Moslims in de Nederlandse fictie

Vanuit het oogpunt van de zichtbaarheid is de opkomst van moslims - Turken en Marokkanen - in de Nederlandse fictie interessant, denk aan de komische SHOUF SHOUF HABIBI (film 2004, tv-serie 2006). Bijzonder interessant is de politieserie VAN SPEIJK (2006) waar, in het eerste seizoen, Goed en Kwaad zo over de personages zijn verdeeld dat het spannende episodes oplevert: de Turkse politieman contra zijn maffiose familieleden, de Hollandse ettertjes versus een Marokkaans gezin, Marokkaanse raddraaiers tegen de politie, een vrouwelijke Marokkaanse wethouder en een blanke Nederlandse politiechef [Burg & De Mare 2008]. Interessanter is dat de laatste jaren films en televisieseries zijn gemaakt waarin we veel intiemer te maken krijgen met de moslim: geen bordkartonnen figuren meer, die net als andere weinig uitgewerkte bijrollen - in termen van Propp, Lévi-Strauss en Barthes - er primair zijn om een verhaal over Goed en Kwaad te schragen [bijdrage Gawie Keyser]. Moslims zijn ook in de westerse fictie meer nabij gekomen, ze maken deel uit van de morele dilemma's die we krijgen voorgeschoteld.

Moslims in de Amerikaanse fictie (spoiler alert!)

Moslims hebben in de fictie een gezicht gekregen dat meer concreet is. In LOST (2004-2010), een complex verhaal over een groep die na een vliegtuigcrash probeert te overleven op een geheimzinnig eiland is er Sayid Jarrah. Hij is Irakees, heeft gevochten in de Golfoorlog, was verbindingsofficier en ondervrager van de Republikeinse garde. Hij is in de serie degene die soms gruwelijke dingen doet die niemand durft. Uit lijfsbehoud, niet zozeer van hemzelf, maar voor iedereen uit de groep. Niet omdat hij dat wil, of omdat hij ervan houdt dat te doen, maar omdat hij gehard is door het leven. Tegelijk blijkt hij een gewoon mens te zijn, hij wordt verliefd op Shannon en rouwt om haar wanneer zij sterft. Zoals ook blijkt dat hij in een ver verleden zijn jeugdliefde Nadia, heeft helpen ontvluchten uit gevangenschap, maar haar daarna uit het oog is verloren. Haar terugvinden is het doel in zijn leven geworden op het moment dat het vliegtuig neerstort. Zijn geloofwaardigheid als personage, getroffen door het noodlot, maar onverminderd geneigd zich in te zetten voor anderen, heeft alles te maken met de balans die hij daarin weet te vinden en die zich vooral aftekent in zijn open blik. In die zin kwam het niet als verrassing, maar was het een logische consequentie, dat hij aan het eind van seizoen 2 religieus blijkt te zijn. Hoewel in het beeld de dubbelzinnigheid onverminderd aanwezig is: Sayid heeft op een hypermodern zeiljacht, waarmee hij met twee medeoverlevenden op weg is om de vijand te verrassen, op traditionele wijze een kleed uitgespreid. Geheel in zichzelf gekeerd bidt hij tot Allah. En of hij zijn gebed richting Mekka uitspreekt, blijft door de dynamische ondergrond van het schip ongewis.

En dan is er natuurlijk Nicholas Brody in de tv-serie HOMELAND (2011- ), de Amerikaanse militair die na acht jaar Iraakse gevangenschap als held wordt onthaald. Onduidelijk is of hij te vertrouwen is of door de vijand is gehersenspoeld. We kijken mee met CIA-medewerkster Carrie die hem obsessief observeert en wantrouwt. Dat lijkt bevestigd te worden als Brody na een paar afleveringen in de garage een kleed neerlegt en heimelijk tot Allah bidt. Stukje bij beetje wordt duidelijk wat er tijdens zijn eerste vijf jaar gevangenschap is gebeurd. Moord en doodslag hebben hem murw gemaakt. Als rebellenleider Abu Nazir hem op een dag vraagt zijn achtjarige zoontje Issa Engels te leren, raakt Brody op termijn zeer verknocht aan het ventje. Het is vanuit Brody's perspectief dat we getroffen worden door de dood van Issa - één van de 82 slachtoffertjes van een door de VS bevolen drone-aanval die een school treft. Brody's verdriet, woede en razernij om de dood van dit onschuldige kind, dat hij gaat zoeken in de puinhopen, komen hard aan. In de afleveringen die volgen wordt zichtbaar gemaakt wat doorgaans aan de verbeelding wordt overgelaten, als het gaat om oorlogssituaties. De fictie opent een imaginaire wereld waar we doorgaans geen beelden van te zien krijgen. De fictie duikt onder de radar van de politieke machtsstrijd en onder het niveau van de orthodox religieuze tegenstellingen. Het simplistische zwart-wit oorlogsscenario, waarin vriend en vijand duidelijk herkenbaar zijn, blijkt een wereld te zijn die in zijn alledaagsheid erg lijkt op wat we kennen. Fictie brengt zo de menselijkheid terug waar die uit het nieuws en uit de politieke en religieuze stellingnamen is verdwenen.

Fictie: moderne verhalen over de werkelijkheid

Dat het in beide gevallen Amerikaanse televisieseries betreft, bevestigt nog eens dat er geen sprake is van homogene cinema die enkel de werkelijkheid vertekent, noch van eenduidig manipulerende groepen. Was het maar zo eenvoudig! Zoals het ook een misvatting is te denken dat beelden de werkelijkheid zouden moeten representeren, een idee waar ook culturele studies van leven. De kracht van goede Amerikaanse fictie is nu juist dat het eenmoderne mythologie biedt waarin het de alledaagse ruwheid van het wereldnieuws omzet in een verhaalwereld die uitnodigt om verder te denken. Het brengt grote tegenstellingen terug tot menselijke proporties, en tot al dan niet oplosbare problemen. Fictie is geen replica van machtspolitieke beslissingen waarin wordt gedaan alsof Goed en Kwaad strikt zijn gescheiden. Op haar best is fictie het domein van de moderne verhalenvertellers die - vooral in het Westen - de moed hebben om nuance aan te brengen in de al te abstracte politieke retoriek. Kwalitatief goede fictie is overtuigend omdat al die verhalen, al die beelden, ergens over gaan en daarom onder onze huid gaan zitten. Die ervaringen dragen we met ons mee.

III. Cultuurhistorisch besef!

Met wie zijn we in gesprek?

We hebben in dit nummer nauwelijks moslims aan het woord gelaten. Het was ook niet de opzet met hen als groep in gesprek gegaan. Nog niet. Ook dat vraagt enige uitleg. Eén van de fundamentele problemen waar we in Nederland, maar in feite in de westerse cultuur, voor staan, is gelegen in het feit dat de visuele dimensie schromelijk wordt verwaarloosd in de openbare gedachtewisseling. De overdaad aan wetenschappers die zich vanuit de sociale wetenschappen en de theologie met deze thematiek bezighouden, staat in schril contrast tot het aandeel en de houding in deze van vertegenwoordigers die zich met de beeldcultuur bezighouden. En voor zover zij dit doen, ontbreekt vaak het historisch besef. Per saldo betekent dat, dat voor zover men zich in het debat mengt, de idee overheerst dat de conflicten de schuld zijn van het westen, vaak in de voetsporen tredend van Edward Said: imperialisme, kolonialisme, etnocentrisme eurocentrisme, witte-middenklasse-mannen, vormen samen een fait accompli dat nauwelijks ter discussie staat. Dit terwijl er inmiddels de nodige uitgewogen reflecties zijn verschenen op zijn werk, ook in Nederland. Daarin wordt gewezen op het essentialisme dat in Saids denken schuilt en het gevaar daarvan voor het publieke debat. Hoe erudiet Saids werk ook is, het heeft een te eenzijdige blik gepropageerd die geen recht doet aan de complexiteit van waar we voor staan, zowel moslims als niet-moslims (Teunissen 2005, De Jong 2005).

Een mea culpa is op zijn tijd uiteraard gepast en heilzaam. Maar als het om het visuele register gaat, moeten de beeldfeiten die het betreft accuraat zijn en moet er een deugdelijk, historisch gefundeerd kader zijn om die te interpreteren. Om te weten wat je ziet, moet je gedisciplineerd kijken. Dat is nu juist waaraan sommige vertegenwoordigers van de humanities geen boodschap hebben, zo blijkt. Vorig jaar zijn in een themanummer van De Groene Amsterdammer (2013: no. 44) over de stand van zaken in de Nederlandse geesteswetenschappen tal van uitspraken te vinden waarin strikt genomen geadviseerd wordt de Europese (kunst)geschiedenis en geschiedschrijving maar af te schaffen, af te rekenen met ongepaste kennis, om in plaats daarvan ruim baan te geven aan de rest van de wereld die door 'ons' eeuwenlang is onderdrukt. Een naïeve en vooral kritiekloze verdediging van de 'Ander' die door het Westen in het nauw zou zijn gedreven [De Mare 2013b]. In de universitaire PR en externe communicatie wordt dit standpunt regelmatig vergezeld van een visuele flirt met moslima's. Wij hebben grote bezwaren tegen een streven dat is gericht op geïnstitutionaliseerde verwaarlozing van het eigen culturele erfgoed. Dat er zwarte bladzijden zijn in de cultuurgeschiedenis staat buiten kijf, maar dat vraagt om gedegen onderzoek, niet om schuldbewust wissen ervan. Zeker als dit enkel is ontleend aan globale ideeën over hoe het er in de geschiedenis aan toe is gegaan. Deze verwaarlozing ontkent de culturele erfenis die ons heeft gebracht waar we zijn, loochent de kennis waarop we nog steeds voortbouwen en miskent de kennis en de technologie die ons moderne mensen, vooral in het Westen, tot vrijgestelden heeft gemaakt die mede daardoor in hoge mate kunnen doen en denken wat ze willen.

Omgang met beelden in de publieke sfeer

Dus voordat we schuld bekennen en van daaruit van gedachten wisselen met (individuele) moslims, is het eerst en vooral zaak bij ons zelf orde op zaken te stellen: we moeten bij onszelf te rade gaan en benoemen waaruit onze culturele erfenis bestaat en wat de waarde ervan is, en dat ook in positieve zin. Vandaar dus twee uitweidingen die direct raken aan wat we in dit nummer op de agenda willen zetten. Zowel de beeldkennis als de openbare ruimte kennen in Nederland een lange cultuurhistorische ontwikkeling en met de doorwerking daarvan hebben we nog steeds te maken. Het is belangrijk deze genealogieën te kennen, omdat we, oppervlakkig gezien, in de huidige tijd vooral de verandering zien waaraan beide domeinen onderhevig zijn: door de digitalisering is de samenleving met beelden geïmpregneerd geraakt en door de sociale media is de (semi)publieke sfeer uitgedijd. Aan beide onderdelen zullen we kort apart aandacht aan besteden. [Kader 1] behandelt de cruciale rol van beeld, beeldkennis en de verbeelding in de Europese cultuur- en wetenschapsgeschiedenis, zo belangrijk voor de moderne technologische ontwikkelingen. [Kader 2] biedt een klein overzicht van hoe in Europa eeuwenlang is nagedacht over de publieke ruimte, de stad en de burger. Op beide punten is in de Europese geschiedenis sprake van bijzondere vindingen, waaraan ook Nederland heeft bijgedragen. Het wordt tijd, om met de befaamde Nederlandse wetenschapshistoricus Floris Cohen te spreken, te erkennen dat de Europese cultuur naast zwakke ook sterke punten kent [De Groene Amsterdammer, 2013 no. 44: 47].

Tot slot

Wat kunt u in dit nummer verwachten?

Met ons onderzoek naar de maatschappelijke verbeelding willen we ruimte creëren voor verschillende beeldsoorten en genres, maar ook denkruimte scheppen waar het gaat om precaire maatschappelijke kwesties. Al die beeldsoorten volgen hun eigen regels en conventies, vormen patronen en onderscheiden zich onderling door hun verschillende verhouding tot de maatschappelijke werkelijkheid. Een nauwgezette observatie heeft ons overtuigd van de grote visuele diversiteit in de huidige beeldcultuur. Dat is interessant en positief nieuws, omdat het een correctie biedt op het idee dat er slechts sprake is van negatieve beeldvorming. Tegelijk is duidelijk dat er ook grote contrasten bestaan in de visuele omgang met moslims. Waar de Nederlandse strip [bijdrage Joost Pollmann] 'de moslim' abstract maakt door het benadrukken van enkele zichtbare kernaspecten, zoals de boerka [BF-10] en de bomgordel [BF-11] en het beeld aldus verdicht tot stereotype [McCloud 1993: 24-59], moet de moslim in de Nederlandse commerciële reclame met een lichtje worden gezocht [bijdrage Wilbert Schreurs]. Waar de moslim in veel fictiefilms [bijdrage Gawie Keyser] een lange geschiedenis kent, vooral als weinig uitgewerkt motief in een groot verhaal over Goed en Kwaad, is de Nederlandse moslim pas recentelijk aan een opmars bezig in Nederlandse kranten, waarbij de verschijningsvorm van persfoto's afkomstig uit Nederland verschilt van die uit islamitische landen [bijdrage Nadine Huiskes, bijdrage Heidi de Mare].

Waar de moslima in de gezondheidsadvertentie [bijdrage Leo van Bergen] en de moslim in de game [bijdrage Connie Veugen] tot tegenstelde observaties leiden, die even ambigue ervaringen oproepen, is er ook de documentaire [Heidi de Mare 2005 ] die, net als het eerder genoemde televisiedrama, weliswaar een fictieve wereld schetst, maar die misschien juist daarom dichterbij de werkelijkheid komt en de moslim toont als medemens. In dat verband zijn ook een aantal avonturen van Kuifje noemenswaardig: de stripverhalen riepen in de jaren '50 een verbeelding over moslims in het leven ver voordat zij in Nederland waren gearriveerd [bijdrage Gabriël van den Brink]. Ook de moderne Kunst heeft zich de afgelopen vijftien jaar in Nederland over moslims en de islam gebogen en neemt in deze heterogene verzameling een aparte plaats in [bijdrage Sjoerd-Jeroen Moenander]. En wel omdat kunstenaars zowel als kunstcritici zich in een eigen discours bewegen waarin Kunst en Maatschappij staan voor bepaalde ideeën, daarbij niet zelden geïnformeerd door het denken van Edward Said. Dat leidt tot nieuwe creaties en combinaties, maar de vraag is wat deze Kunst toevoegt aan het publieke debat. Is Kunst een artistieke verdubbeling van wat iedereen eigenlijk al weet? Biedt de Kunst een bewustwording die het publieke debat verheldert? Is de vervreemding die de Kunst organiseert primair een fenomeen dat intellectuelen fascineert? Hoe verhoudt die academische exercitie zich tot wat er zich in de politieke arena afspeelt? Vele vragen die uitnodigen tot een gedachtewisseling, waarmee we in dit nummer een begin maken.

In deze context, gevoed door nieuwe inzichten over beeldsoorten, Kunst, publieke sfeer en maatschappelijke verbeelding, en met kennis van het historisch-culturele erfgoed, wordt het volgens ons zinvol en interessant om als Nederlanders, moslim of niet, met elkaar van gedachten te wisselen. Dat kunnen we ervaren in de levendige, maar ook onderzoekende samen- én tegenspraak tussen Abdel El Makhloufi en Harrie Teunissen, afgelopen voorjaar naar aanleiding van hun tweevoudige bezoek aan de tentoonstelling Verlangen naar Mekka, in het Volkenkundig museum in Leiden. Dan is er ruimte om te vertellen over rituelen, te vragen naar verhalen en de historische aspecten rondom de hadj te begrijpen. We komen iets te weten over hoe de hadj van binnenuit wordt ervaren, over spiritualiteit en wetenschap, over de tegenstrijdige rol die de genealogie in termen van adellijkheid en hiërarchische status speelt, gegeven het gelijkheidsbeginsel in de islam. Maar ook over de Arabische taal, de geleerdencultuur en de Koran-interpretatie. In het verlengde daarvan over het geloof, gegeven de culturele verschillen die bestaan tussen bijvoorbeeld Marokko en Turkije. De vraag of er inderdaad een beeldverbod bestaat in de islam kwam ter sprake naar aanleiding van beeltenaren die op vroege islamitische munten staan. Aan de orde kwam zelfs een theorie van de verbeelding, geformuleerd door Ibn al-Arabi (1165-1240). Maar dat vraagt om een nieuw themanummer.

In dit nummer staat dus vooralsnog niet de dialoog met moslims over wederzijdse ervaringen met de Nederlandse maatschappelijke verbeelding centraal. Centraal staat de vraag die daar volgens ons aan vooraf moet gaan: wat is er de laatste tien, vijftien jaar gebeurd in de Nederlandse maatschappelijke verbeelding als het gaat om moslims en islam, welke rol speelt het visuele register daarin en welke denkmiddelen staan ons in Nederland ter beschikking om hierover meer gestructureerd na te denken. Dit entameren en op de agenda zetten, vinden we belangrijker dan te streven naar een uitputtende beantwoording daarvan. Dat gaat ook onze macht verre te boven: er zijn bronnen genoeg om een heel onderzoeksinstituut voor jaren aan werk te helpen. Bovendien hebben verschillende auteurs de afgelopen jaren al over deze thematiek geschreven - aan onze Dossiers Beeld & maatschappelijke verbeelding voegen we een nieuw dossier toe met publicaties van Gabriël van den Brink 2004, 2008, Harrie Teunissen 2005, 2006, 2014, Nadine Huiskes en Heidi de Mare 2012. Van Joost Pollmann is een kort fragment opgenomen uit zijn publicatie over de Arabische strip (2012). Deze uitgave is à  € 15,-- te bestellen via info@ivmv.nl.

Een aparte vermelding waard is de publicatie 'Montesquieu en het boerkaverbod' uit 2010 [Nederlands Juristenblad, 911: 1-8], geschreven door de voormalige voorzitter van de Stichting IVMV, Willem Witteveen, waar hij in gaat op het juridische denkraam. Op 17 juli j.l. is hij, samen met zijn vrouw, zijn dochter en vele anderen slachtoffer geworden van de MH17-ramp. Onze dank gaat uit naar Uitgeverij Kluwer die toestemming heeft gegeven zijn publicatie in ons nummer op te nemen.

De exercitie die wij als Stichting op ons hebben genomen is bedoeld als kader om systematisch, en vooral vrij van academische besognes en politieke belemmeringen, te kunnen reflecteren over een precair onderwerp dat velen van ons bezighoudt. We doen dat met alle beeldkennis waarover we vanuit onze respectievelijke vakgebieden beschikken. Namens alle (gast)auteurs van dit nummer wensen we u met onze bijdragen een grondig ver-maak toe!

Waarschuwing vooraf

De voorbereidingen van dit nummer over moslims in de Nederlandse verbeelding gingen ruim een jaar geleden van start. Ons doel was zorgvuldig in kaart te brengen hoe de beeldvorming in deze verloopt. Inmiddels hebben zich in de wereld nieuwe, en soms huiveringwekkende ontwikkelingen voorgedaan, die het beeld van moslims in Nederland en daarbuiten beïnvloeden.

Het leek ons zowel om praktische als om inhoudelijke redenen niet verstandig ook deze ontwikkelingen mee te nemen. Wellicht krijgen ze een plaats in een volgend nummer, gewijd aan geweld in beeld. Vooralsnog is de beeldvorming met betrekking tot gewone moslims al ingewikkeld genoeg.

Toelichting afbeeldingen

Afbeeldingen zijn afkomstig uit Seks en de zonde (Halsema & Bouazza), afl. 5, 8 juni 2014, Femke Halsema in gesprek met Shalina; twee screenshots uit CRASH (2004); een screenshot uit LOST en een advertentie van MOVIES THAT MATTER (2014).

Referenties

PDF